In deze tijd
kunnen mensen
kopje ondergaan.
Het onafzienbare leed, elke dag –
armoede, oorlog, dood,
grove onrechtvaardigheid.
Het is of ons verweer afbrokkelt,
onze grenzen doorlaatbaar worden,
het geheel uit het zicht verdwijnt.
De pijn, de angst en gedeprimeerdheid omvat ons,
we kunnen het niet aan,
denken we.
Kunnen we ons herpakken,
het Geheel weer zien?
Alles gaat voorbij
behalve onze ziel
ons tijdloze diepste binnenste.
Daarin kan al het leed bevat worden,
als in een Ruimte.
De pijn is er, het mededogen,
maar we verdwijnen niet.
Wijzelf omvatten het,
het vindt zijn plaats
in die Ruimte,
waar alles ontstaat en vergaat,
waar alles in past en mag zijn
waar alles zijn weg gaat,
in ons en buiten ons.
En wij dragen diep in onszelf de Hoop,
zo zegt het Vaclav Havel,
die niet afhangt
van wat er in de wereld gebeurt.
Een gerichtheid van de geest,
zegt hij,
een gerichtheid van het hart,
voorbij de horizon.
Hoop,
niet alleen omdat het kans van slagen heeft
of omdat het zeker goed zal komen.
Het is doorgaan
met werken voor iets
omdat het goed is,
vanuit de zekerheid dat het zinvol is,
ongeacht de afloop,
ongeacht het resultaat.
